Manifest

Version imprimable

Manifest

Voor een industriele politiek van de technologieen van de geest

 

Motieven ter oprichting van de vereniging Ars Industrialis

 

1. Ons tijdvak wordt mondiaal bedreigd door het feit dat het "geestesleven" (uitdrukking die is ontleend aan Hannah Arendt, The Life of the Mind) geheel en al onderworpen wordt aan markt-economische imperatieven, alsook aan de imperatieve return op investeringen gemaakt door bedrijven, die de technologieen promoten van wat de cultuurindustrieen wordt genoemd, de programma-industrieen, de media, de telecommunicaties, en tenslotte de technologieen van het weten, de cognitieve technologieen.  Door de verdergaande digitalisering gaan deze sectoren zich steeds meer integreren, wat men twintig jaar terug de convergentie heeft genoemd van het audio-visuele, de telecommunicaties en de informatica.  Dit geheel noemen wij de sector van de geestestechnologieen (in weerwil van de metafysische en theologische waarde van dit woord geest, waarbij we ook denken aan het Engelse mind).  Zo het integratieve proces van convergentie tot op heden vooreerst -en op brutale wijze- de controlemogelijkheden van de markt over het geestesleven heeft doen toenemen, dan stellen wij dat de geestestechnologieen tot een nieuw tijdperk van de geest, een verniewing van de geest, een nieuw "geestesleven" kunnen en moeten voeren.  Wij zijn van mening dat de vernieuwing en renaissance van de geest het motief moet vormen van wat we een industriele politiek van de geest noemen.

2. Een dergelijke industriele politiek moet ook een industriele ecologie van de geest zijn.  De eenzijdige onderwerping van de geestestechnologieen aan marktimperatieven handhaaft deze technologieen in een controle-functie,  in dienst van de "controle-samenlevingen" (we ontlenen deze term aan William Burroughs, aan wie Gilles Deleuze ze zelf ontleende).   Deze functie -die de systematisering beoogt van de ontwikkeling van gebruikstoepassingen van de middelen ter berekening, communicatie en informatie, met het oog op de massificatie van productie- en consumptiegedragingen, en dit ter behartiging van de financiele belangen van de industriele ondernemingen, die op korte termijn en met het oog op een hoge return geinvesteerd worden- deze functie, dus, blokkeert de toegang tot deze technologieen voor een andere aanwending.  In het bijzonder verbiedt en hindert deze functie op systematische wijze de ontwikkeling van nieuwe en onuitgegeven sociale praktijken, waartoe deze technologieen niet alleen ruimte laten, maar waarom ze ook vragen, en op grond waarvan ze -dat is onze stelling-  de  basis kunnen vormen voor een nieuw tijdvak van beschaving, en ertoe bij zullen dragen om de chaos te vermijden, waarvan iedereen de imminente dreiging voorvoelt.

3. Deze technologieen van de "ziel", van het "bewustzijn"-waarop zich geleidelijk aan ook de lichaams- en biotechnologieen afstemmen- beogen vandaag de individuele en collectieve bestaanswijzen, van jong en oud,  te controlen en op hegemonische wijze te fatsoeneren.  Deze controle van de bestaanswijzen -een controle en manipulatie van de verlangens van individuen en groepen- leidt echter tot de destructie van bestaansmogelijkheden zelf  van deze individuen en groepen : te existeren kan immers alleen betekenen, te bestaan  als singulariteit.  De controle vernietigt meer bepaald het verlangen van individuen en groepen -wat Freud hun libidoLibido.

 

La libido est la socialisation de l’énergie produite par la pulsion sexuelle, mais telle que, comme désir, cette pulsion est transformée en objet sublimable : objet d’amour ou d’attention passionnée à l’autre.

 

Capitalisme et libido. Le capitalisme au XXe siècle, a fait de la libido sa principale énergie. Pour être très schématique, on peut dire que l’énergie au XIXe siècle est celle de la force de travail (Marx), tandis qu’au XXe siècle, elle devient celle du consommateur. Ce n’est pas le pétrole qui fait marcher le capitalisme, mais la libido. L’énergie libidinale doit être canalisée sur les objets de la consommation afin d’absorber les excédents de la production industrielle. Il s’agit bien de capter la libido, c’est-à-dire de façonner des désirs selon les besoins de la rentabilité des investissements.

L’exploitation managériale illimitée de la libido est ce qui détruit le désir et l’humain en nous. De même que l’exploitation du charbon et du pétrole nous force aujourd’hui à trouver des énergies renouvelables, de même, il faut trouver une énergie renouvelable de la libido (ce pourquoi nous disons que c’est un problème écologique).Or la libido est constituée par des techniques ; ce n’est pas une énergie qui se développe spontanément, mais elle est articulée sur des techniques, des « fétiches », et plus généralement sur des prothèses.

 

 

 

">i-energie noemde.  In de XX ste eeuw heeft het kapitalisme van de libido haar belangrijkse energiebron gemaakt : een energie die, gecanaliseerd op consumptiegoederen, toelaat om de productie-overschotten van de industriele productie te absorberen door -middels de captivering van de libido- verlangens te wekken die geheel en al gefatsoeneerd zijn overeenkomstig de rentabiliteitsbehoeften van de investeringen.

4. De bedreiging van het verlangen houdt de bedreiging in van de mensheid : de ruinering van het verlangen houdt de ruine in van de mogelijkheden tot sublimatie en tot de constitutie van een boven-ik, en ze voert bijgevolg -bovenop de economische verstoringen die door een model, dat productie en consumptie tegenover elkaar stelt, worden geinduceerd- tot geopolitieke, politieke, sociale en psychische vormen van wanorde die bijzonder alarmerend zijn.  Dergelijke dysfuncties -die een ware gesel zijn voor de mensheid- vormen de meest recente verschijningsvorm van problemen, die een industriele ecologie -zoals dat passend genoemd wordt- van de geest en van het verlangen moet aanpakken.

5.  Het verlangen wordt geconstitueerd door symbolische praktijken, die door symbolische technieken of technologieen ondersteund worden.  De objecten van verlangen zijn intrinsiek singulier, en intensifieren als zodanig de singulariteit van de verlangende.  De industriele fabricage van het verlangen, daarentegen, mogelijk gemaakt door de informatie- en communicatietechnologieen, verstaat het om de singulariteiten te categoriseren, d.w.z. om datgene wat onvergelijkbaar (het singuliere is per definitie datgene wat niet vergeleken kan worden) en onherleidbaar onberekenbaar is, berekenbaar te maken.  Singulariteiten zijn niettemin niet onttrokken aan elke techniek of berekening; ze constitueren zich juist doorheen een praktijk van technieken, technologieen en berekeningen, die de intensivering beoogt van wat niet herleidbaar is tot het berekenbare.   Dit is wat bijvoorbeeld alle kunstvormen op een onmiddellijke manier voelbaar maken, zoals ook het gedicht waarover Claudel schrijft : "dat het een getal moet bevatten die het tellen verhindert."  De informatie- en communicatietechnologieen zijn echter weldegelijk geestestechnologieen, en dat betekent dat ze hoe dan ook verwijzen naar de  herinneringstechnieken en de probleemstellingen daaromtrent.  Michel Foucault heeft de inzet van deze technieken nader heeft geanalyseerd in termen van "het schrijven aan zichzelf."  In een nadere kwalificatie van deze technieken beriep hij zich op de Griekse hypomnemata,  wat een centrale probleemstelling vormde in de filosofie na Plato, die zelf al het schrift had gekarakteriseerd als hypomnesis, d.w.z. als technisch geheugen.  Als mnemo-technologieen zijn de industriele geestestechnologieen nieuwe vormen van hypomnemata.  En net als de antieke hypomnemata -in het bijzonder in de Stoicijnse en Epicureische scholen, alsook in het allereerste christendom, in het Rome alwaar de Griekse skhole tot Romeinse praktijk van het otium H2 { margin-top: 0.05cm; margin-bottom: 0.05cm; text-align: justify; page-break-after: auto; }H2.western { font-family: "Garamond",serif; font-size: 14pt; }H2.cjk { font-family: "Arial Unicode MS"; font-size: 14pt; }H2.ctl { font-family: "Tahoma"; font-size: 10pt; font-weight: normal; }P { margin-bottom: 0cm; text-align: justify; }P.western { font-family: "Times New Roman",serif; }P.cjk { font-family: "Times New Roman"; }P.ctl { font-family: "Times New Roman"; }P.sdfootnote { margin-left: 0.5cm; text-indent: -0.5cm; font-size: 10pt; text-align: left; }A.sdfootnoteanc { font-size: 57%; }

 Otium/Negotium.

Jusqu’à la fin du XVIIIe siècle, la société est constituée par une opposition entre la sphère des besoins, celle des esclaves, artisans, roturiers et la sphère de l’otium, celle des clercs, ou de toutes personnes dégagées des obligations de la vie quotidienne vouées à la satisfaction des besoins par la production des subsistances. Le « negotium » est le nom que les romains donnaient à la sphère de la production, elle-même soumise au calcul. Ce n’est pas seulement le commerce des marchandises au sens du plan comptable, c’est le commerce au sens large des affaires, le business, l’affairement, c’est aussi le lieu des usages. A l’inverse, l’otium est le temps du loisir libre de tout negotium, de toute activité liée à la subsistance : il est en cela le temps de l’existence.

Si otium et negotium, comme existence et subsistance, composent toujours, ils doivent absolument demeurer distincts, Les distinguer ne signifie pas les opposer systématiquement, car en ces cas nous retomberions dans une démarche fondamentalement métaphysique. Max Weber a montré combien, avec l’éthique protestante du capitalisme, le negotium devient une activité qui relève de l’otium, et dans laquelle il s’inscrit.

Otium et negotium ont ceci en commun que ces deux activités se déploient avec des supports de mémoire (hypomnemata). Dans le negotium on trace les échanges, on quantifie et on calcule le commerce humain. Dans l’otium, les hypomnemata sont mis en œuvre essentiellement dans la visée des objets de la contemplation, skholè, qui forment les idéalités en général (les objets de l’idéalisation – au sens de Freud –, c’est à dire aussi de la sublimation) et constituent ce que nous appelons des consistances : ce qui, n’existant pas, consiste d’autant plus (la justice, l’infinité de l’objet de mon désir, le point géométrique, etc.)

Dans l’otium il y a une discipline comprise comme technique de soi donnant accès à ce qui n’a pas de prix : c’est celle du sportif qui s’entraîne régulièrement, celle du moine qui respecte la liturgie, celle de celui qui écrit quotidiennement ses pensées. Ce que Foucault nomme « l’écriture de soi » relève typiquement de l’otium. Si l’otium est une pratique solitaire, elle est toujours socialement destinée et constituée.

Les pratiques de l’otium tendent aujourd’hui à être intégralement court-circuitées par les industries de services et soumises aux contraintes du marché : elles se voient diluées et finalement confondues avec le négotium – par exemple comme savoirs académiques totalement soumis aux contraintes économiques.

Pharmakon, pharmacologie.

En Grèce ancienne, le terme de pharmakon désigne à la fois le remède, le poison, et le bouc-émissaire1.

Tout objet technique est pharmacologique : il est à la fois poison et remède. Le pharmakon est à la fois ce qui permet de prendre soin et ce dont il faut prendre soin, au sens où il faut y faire attention : c’est une puissance curative dans la mesure et la démesure où c’est une puissance destructrice. Cet à la fois est ce qui caractérise la pharmacologie qui tente d’appréhender par le même geste le danger et ce qui sauve. Toute technique est originairement et irréductiblement ambivalente : l’écriture alphabétique, par exemple, a pu et peut encore être aussi bien un instrument d’émancipation que d’aliénation. Si, pour prendre un autre exemple, le web peut être dit pharmacologique, c’est parce qu’il est à la fois un dispositif technologique associé permettant la participation et un système industriel dépossédant les internautes de leurs données pour les soumettre à un marketing omniprésent et individuellement tracé et ciblé par les technologies du user profiling.

La pharmacologie, entendue en ce sens très élargi, étudie organologiquement les effets suscités par les techniques et telles que leur socialisation suppose des prescriptions, c’est à dire un système de soin partagé, fond commun de l’économie en général, s’il est vrai qu’économiser signifie prendre soin. En particulier, Ars Industrialis appelle de ses vœux une pharmacologie de l’attention  à l’époque des technologies de l’esprit.

En principe, un pharmakon doit toujours être envisagé selon les trois sens du mot : comme poison, comme remède et comme bouc-émissaire (exutoire). C’est ainsi que, comme le souligne Gregory Bateson, la démarche curative des Alcooliques Anonymes consiste toujours à mettre d’abord en valeur le rôle nécessairement curatif et donc bénéfique de l’alcool pour l’alcoolique qui n’a pas encore entamé une démarche de désintoxication2.

Qu’il faille toujours envisager le pharmakon, quel qu’il soit, d’abord du point de vue d’une pharmacologie positive, ne signifie évidemment pas qu’il ne faudrait pas s’autoriser à prohiber tel ou tel pharmakon. Un pharmakon peut avoir des effets toxiques tels que son adoption par les systèmes sociaux sous les conditions des systèmes géographiques et biologiques n’est pas réalisable, et que sa mise en œuvre positive s’avère impossible. C’est précisément la question que pose le nucléaire.

1La question du pharmakon est entrée dans la philosophie contemporaine avec le commentaire que Jacques Derrida a donné de Phèdre : « La Pharmacie de Platon », La Dissémination, Seuil, 2003. Le pharmakon qu’est l’écriture (comme hyppomnésis) est ce dont Platon combat les effets empoisonnants et artificieux en y opposant l’anamnesis comme activité de « penser par soi-même ». Derrida montre que là où Platon oppose autonomie et hétéronomie, celles-ci cependant composent sans cesse.

 

2Bateson, …

 

">i werd- vragen de industriele geestestechnologieen om nieuwe praktijken, en dit wil uiteindelijk zeggen : om nieuwe sociale organisaties.  Want de relatie waarin de mens tot deze technologieen staat, kan zich niet blijven beperten tot de gebruiken, die worden voorgeschreven door de gebruikswijzen en marketingscampagnes, die er toe neigen om slechts een zo snel mogelijke investeringsopbrengst te verzekeren, ten bate van aandeelhouders die "een ratio met 2 cijfers" willen, en het liefste niet onder de 15 per  cent.

6. Een dergelijke politiek is inderdaad suicidair : het kapitalisme is zelfvernietigend.  Door de mogelijkheid van een industriele geestespolitiek te onderschrijven, stelt onze vereniging zich tot doel zowel om te strijden tegen die zelfvernietigende tendens van het kapitalisme, als om bij te dragen tot de (uit)vinding van praktijken van de geestestechnologieen die verlangensobjecten en ervaringen van singulariteit scheppen.  We geloven dat de ontwikkeling van dergelijke praktijken een fundamentele voorwaarde vormt voor een vreedzame en mondiale toekomst van de industriele samenleving.

7.  De politiek-economische vraag die de industriele toekomst stelt, is die van het opnieuw op gang brengen van het verlangen -en dus niet van het aanzwengelen van de consumptie, waarop de technocratische en artificiele maatregelen die worden getroffen  in industriele landen, en met name in Europa, zich met koortsige obstinatie richten, en die het zeer dat ze bedoelen te verhelpen verder uitdiepen.  De geestesindustrieen (die dus reeds bestaan, maar die verkeerd georienteerd zijn en die de samenleving vernietigen, in plaats van een nieuw tijdvak te scheppen) stellen allerlei technologieen van toenemende  symbolische uitwisselingen in het werk, en in de komende decennia zullen deze  technologieen zich blijven ontwikkelen -denk vandaag aan de hoge debiet netwerken en de wifi verbindingen, en aan de nanotechnologieen van morgen.  Nu kunnen deze toerustingen en diensten zich niet blijven ontwikkelen tegen de sociale samenhang en het algemene belang in.  In de mate waarin het vraagstuk van het algemene belang staat ingeschreven in de symbolische kwestie, maakt de definitie van een industriele geestespolitiek de (uit)vinding noodzakelijk van een nieuwe publieke macht, die competetenties van allerlei aard en horizonten samenbrengt, alsook economische actoren en publieke instellingen, onderzoeksinstituten en verenigingen, economisten, kunstenaars, wetenschappers, filosofen, investeerders, sociale partners, locale en regionale overheden enzomeer.

8. Ars Industrialis is gevestigd te Parijs (Frankrijk), maar definieert zich allereerst als een Europese vereniging.   Ze zal van meetaf aan gesprekspartners, leden en partners zoeken in andere Europese landen, en haar activiteiten zoveel als mogelijk organiseren buiten Frankrijk.  Toch is de vereniging internationaal, en niet enkel Europees : ze betracht haar internationale uitwisselingen ook buiten het Europese continent te ontwikkelen.  Zij wil haar reflectie -in elk van de hoger vermelde punten-  op mondiaal vlak uitdragen,  zowel in het domein van onderwijs als van onderzoek, wetenschap, kunst, media, de organisatie van de publieke audio-visuele diensten, de cultuurindustrieen en de privé programma-industrieen, en de politieken ter inrichting van het territorium

9.   Naast zijn partners en leden in Europa en de andere continenten, zoekt Ars Industrialis in Frankrijk een netwerk uit te bouwen van plaatsen van activiteit,  van leden en correspondenten.

10. Ars Industrialis zal deze verschillende netwerken voeden door van alle eigentijdse middelen van communicatie gebruik te maken, en zal daartoe ook de steun zoeken van publieke en private organisaties.

In het licht van deze uitgangspunten zal Ars Industrialis, als internationale vereniging voor een industriele politiek van de geestestechnologieen, zich tot doel stellen om :
-  een collectieve, internationale en transdisciplinaire reflectie te bevorderen, middels ontmoetingen, seminaries, colloquia
-  de resultaten van deze werkzaamheden te verspreiden middels publicaties, een internet site, de redactie van moties
-  onderzoeken te presteren en voorstellen te formuleren, en zo mogelijk ook te implementeren, middels acties en experimentaties
-  de belangen te verdedigen van zijn leden tegen elk vooroordeel die het resultaat is van een aanslag tegen het collectieve belang dat ze zich voorneemt te verdedigen

In de onmiddellijke toekomst zal Ars Industrialis ontmoetingen organiseren in Parijs,  meer bepaald rond volgende thema's :
- de verleden en toekomstige Europese politiek in het domein van de geestesindustrieen
- het door Google genomen initiatief in het domein van de digitale bibliotheken en de Franse en Europese politieken terzake
- de kwestie van het wetenschappelijk onderzoek in het kader van een industriele politiek van de geestestechnologieen
- de inzetten van de mondiale conferentie over de informatie-samenleving, georganiseerd door de VN in Tunis (Tunesie) in november 2005
- de rol van marketing en van publiciteit in de industriele samenleving van gisteren, vandaag en morgen
- de kunst en de industriele samenleving van gisteren, vandaag en morgen
- de kwestie van de talen in Europa, en ruimer : van het idiomatisch verschil in de breedste zin van het woord
- de psychologische stoornissen en de kwesties van publieke gezondheid, vanuit de optiek van een industriele geestesecologie
- de kwesties van industriele eigendom
- de gezichtspunten daaromtrent in de VS, Latijns-Amerika, China, Japan, betreffende de kwestie van een industriele geestespolitiek en de nieuwe publieke macht, meer bepaald een nieuwe internationale publieke macht in deze materies

Georges Collins, filosoof en kunstcriticus
Marc Crépon, filosoof
Catherine Perret, filosofe en kunstcritica
Bernard Stiegler, filosoof
Caroline Stiegler, juriste